Hij: “Jij bent het toch, Iris?”
Ik: “Jazeker.”
Hij: “Ja sorry, maar ik herkende je even niet zonder
beugel.”
Ik: “Je bent de eerste die het opvalt.”
Contact.
Een paar weken eerder zag ik hem voor het eerst, rommelend in
een vuilnisbak achter het Land van Kokanje. Joep. Toen hij doorhad dat hij
bekeken werd, kwam hij met een half aangevreten vuilnisbakSnickers op z’n BMXje
naar me toe gefietst en vroeg: “Als ik jou een mop vertel, heb jij dan wat geld
voor mij, voor het slaaphuis?”
Dit was dus zo’n moment. Zo’n gewoon een kop koffie moment.
Goed, het was middernacht en het had verder ook weinig met koffie te maken,
maar toch. Het ging namelijk over weglopen óf blijven staan en contact maken.
“Tuurlijk”, besloot ik, nieuwsgierig naar deze tandloze, flink geurende, en mij
met lodderige, alcoholrode ogen aankijkende meneer. “Kom maar door met die
mop.” (Het was iets met Belgen en een onderzeeër, maar de rest ben ik
vergeten.) Joep vertelde me dat hij in het Simplon Jongerenhotel sliep, omdat
de mensen daar minder jatten dan in de opvangvoorzieningen. En dat het best
duur was om daar te slapen, en dat hij dus best veel moppen moest vertellen op
een dag. En nee, het bij elkaar gemopte geld ging niet op aan drugs. Hij
vertelde ook dat hij een échte Groninger was, en dat hij na zes jaar in Den
Haag rondgezworven te hebben gillend weer naar ‘huis’ kwam. Ik gaf hem twee
euro voor zijn mop, zijn slaap en zijn versie van de waarheid, en we rookten
samen een sigaretje.
Contact. Gewoon een kop koffie sigaretje.
En toen zaten we ineens op dezelfde stadsfrequentie. We
bleven elkaar tegenkomen. Aan het Zuiderdiep, in de Ebbingestraat, onder een viaduct van ring Groningen, op de Vismarkt, en op de trap van het VVV-kantoor,
waar we allebei zaten bij te komen van iets. Hij was van zijn BMX gedonderd en
had een nare, open wond aan zijn arm. Onverzekerd, dus onbehandeld, zo leek
het. Hij zag er verwilderd uit, en zei afwisselend “au” en “ik heb honger.” Pijn
en honger. Joep had pijn en honger en moest nog twee uur wachten voordat hij
brood kon eten in de Open Hof. Weer zo’n moment. Ik besloot hem mee uit eten te
nemen. Hij had zin in patat, dus we streken neer in een cafetaria in de
Poelestraat. In tien minuten werkte hij (zonder tanden, dus hè?) een patatje oorlog, een
hamburger, een frikadel en een blikje cassis weg.
Ik: “Hee Joep, ga je wel vaker zo met een meisje uit eten?”
Hij: “Ja hoor.”
Contact. Gewoon een kop koffie frikadel.
Op Facebook en Twitter stromen de tips binnen over wat te doen met de onverzekerde, open wond. Daar willen we Joep graag over vertellen. We zoeken hem in de stad. Via de trap van het VVV-kantoor, langs de Open Hof, naar het Simplon Jongerenhotel. Daar horen we van een medewerkster dat er eigenlijk geen daklozen meer slapen, en dat Joep er sowieso al maanden niet meer is geweest.
Contact. Gewoon een kop koffie reality check.
We maken een wandelingetje. Daar staat Joep. Bij de museumbrug. Moppen te tappen voor een euro. Hij heeft zijn lange haar met een uitbundige
hoeveelheid gel achterover gekamd, draagt een feloranje colbert, een smetteloze
pantalon en sportschoenen.
Wij: “Wat zie je er goed uit, Joep.”
Hij: “Mooi hè. Er stonden weer roze zakken aan de weg.”
Contact. Gewoon een kop koffie doorgaan.
Voor Joep, van Iris.