Hij rolt een kleedje uit en neemt plaats, leunend op zijn tenen en zijn knieën. De hakken in de lucht, zijn handen liggen zacht op zijn bovenbenen. Een vinger tikt voorzichtig de lucht aan, in hetzelfde ritme als zijn gemompel. Ik versta de woorden niet.
De zon schijnt door de vitrage in een lichtstrook van boven zijn hoofd naar beneden zijn neus raakt het kleed aan. Dat is een diepe buiging. Een soort van vertederend gedicht.
Hier is niets om bang voor te zijn, hoor ik in mijn hoofd. Hier is niets engs aan. Dit is een lieve, intieme uiting van geloven in de band tussen hem en zijn god. Dit is tussen hem en zijn god. Het wordt pas eng als we per ongeluk of expres de persoon, het individu uit het oog verliezen. Als we niet voorbij bepaalde enge dingen van bepaalde enge massa's kunnen kijken.
Hij kijkt over zijn ene schouder,
hij kijkt over zijn andere schouder.
Hij kijkt over zijn ene schouder,
hij kijkt naar mij,
hij strekt zijn hand naar me uit en zegt:
'Zo, Iris. Nu moet je mij ook een berichtje sturen.'
Bij deze, alsjeblieft, dankjewel.
