Het is winter. Sneeuwblubber, ploegen. Het is grijs. Ik ben
grijs. Winterslaap. Sneeuwvlokken en gedachtes dwarrelen richtingloos in het
rond. Het is glad in Groningen. Een lange werkdag achter de rug, boodschappen
voor één, Winkelcentrum Paddepoel ligt er troosteloos bij en fekking Sky Radio uit
de krakerige speakers daar duwt de gevoelstemperatuur nog verder onder het
minpunt. Wat een rukdag. Ruk! Waarheen, waarvoor. Ik strompel het winkelcentrum
uit en duik diep in mijn jas en sores. Vooral niet opvallen, lekker verstoppen.
Tot ik een oude, Somalische man met een wandelstok bijkans kopje
onder zie gaan in de sneeuw. Hij houdt zich amper staande aan een railing
terwijl hij verwoede pogingen doet om de verhoogde stoep op te komen. In een
flits denk ik aan mijn werk, aan mijn “aandachtsgebied” (Somalische Groningers...),
aan de methodieken, de overleggen, de interventies, de literatuur, de aanpak en
moet lachen. Alles is relatief, veel is
vanzelfsprekend: ik loop naar hem toe, vraag of ik hem kan helpen, hij
verstaat me niet, en dan gebeurt het volgende. Een klein gebaar met groot
gevolg. Ik maak een boogje van mijn arm en hij haakt in. Zonder woorden en zonder aarzelen.
“Where are we going?” Vraag ik. “To the bank” is het
antwoord. En zo schuifelen we arm in arm door de grauwe smurrie, richting de
ING. Het blondje meisje weer met beide benen op de grond, de oude man zonder Hals-
und Beinbruch op de plaats van bestemming. Contact. Wat universeel is, bevriest niet. En laat zich al helemaal niet vastleggen in methodiekbeschrijvingen. En dat is maar goed ook. Wat een mooie dag!