Hij zal nu een jaar of 27 zijn. In zijn jeugd bewandelde hij de bergpaden van Tibet, bad hij in de tempel, hoofd kaal geschoren, niet veel nodig.
Het is een lange weg van Tibet naar Groningen. Kan alleen maar gissen naar wat hij heeft gezien en gevoeld toen hij uit zijn land werd verjaagd. In ieder geval werden zijn slippers verruild voor dikke sokken en zware schoenen. Hij liet z’n haar groeien; lange zwarte lokken. Zijn gewaad maakte plaats voor trui en spijkerbroek. Groningen was een wereldburger rijker en hij begon er aan zijn tweede leven. Nieuwe taal, nieuwe mensen, nieuwe gewoontes, nieuwe flow en papieren, papieren, papieren.
Hij had wat hulp nodig bij zijn zoektocht naar grond onder z’n voeten. Die vond hij bij een stichting in de stad. En zo rookten we daar samen wel eens zwijgzaam een sigaretje, leunend tegen de voordeur. Hij daarna in de wachtkamer, ik de trap op en weer aan het werk. De boel bijna voor elkaar, restte hem nog één ding. Hij zocht z’n verloren Zen, z’n mojo.
En hij vond ‘m op de dansvloer. Hij verbergt nu met een zelfverzekerde grijns z’n haar onder een pet, schuin op z’n kop. Een grote zonnebril, een oversized broek, sneakers, een dikke glitterketting.
Hij
is
breakdancer.
Het meest lijkt hij te genieten op de Afrikaanse feestjes in de stad, waar hij in zijn hiphop-outfit driftig hiphopt op salsa uit Senegal, soukouss uit Congo en zouk uit Guinée. Vanaf de zijlijn van de dansvloer bekijk ik hem. Hij straalt. Ik loop naar hem toe, pak zijn hand vast en nodig hem uit voor een merengue. Een blik van herkenning, een kleine buiging, een dansje.
Later als ik in mijn jas wordt geholpen door m’n gezelschap, stapt de kleine breakdancer op hem af, tikt hem op zijn schouder en zegt plechtig: “Pas goed op deze dame. Weetje.”