“Wordt het niet eens tijd dat je je eroverheen zet?” en “het is al zo lang geleden” en “je bent toch gelukkig?” en (dé oneliner van m’n vader): “laat toch lopen.” Het zijn zo van die opstekers. Op zich ben ik het eens met alles wat ze zeggen. MAAR. Waarom zet ik dan steevast twee stappen achteruit als de liftdeuren opengaan? Is er de interne peptalk als ik ze in de verte aan zie komen fietsen (kom óp Iris, je kan het)? En waarom laat ik steeds mijn schouders zakken en verlang ik elke keer als ik ze onverwacht tegenkom naar een borrel? En tot slot, waarom voelt het elke keer onnatuurlijk, alsof ik -wat ik ook doe- aan het sneuste eind trek? Ik had geen idee. Tot voor kort, want zoals altijd bood een goed gesprek met een vrouw verheldering. Ik doe namelijk iets wat elke vrouw doet als ze haar ex met de nieuwe vriendin tegenkomt, namelijk ‘stom vinden.’ Je vindt de nieuweling gewoon stom. Gewoon omdat ze stom is. Schijnt echt heel normaal te zijn in vrouwenland, zo heb ik afgelopen zaterdag geleerd. Ik dacht dat ik gek was, maar José zei dat ik niet afwijk van de meerderheid. Het blijkt heel gebruikelijk te zijn om jezelf zodanig en structureel geen houding te kunnen geven dat je boos wordt en de ongetwijfeld gewéldige nieuwe kaauuteevriendin bij voorbaat al geen kans geeft. “Ja hoor” zegt José “zo heet de nieuwe van mijn ex dikke bitch.”
Sinds zaterdag kom ik volmondig uit voor mijn onvermogen om in de aanwezigheid van exenvolk de zelfverzekerde, gelukkige vrouw te zijn die ik ben en ik denk dat ik aansluit bij José, qua naamgeving. Proost, dikke bitch!